De jeugdprofessional heeft onvoldoende regie gevoerd tijdens de ondertoezichtstelling. Ook heeft hij de moeder niet meegenomen in de eventuele terugplaatsing van de zoon. De jeugdprofessional heeft weinig gereflecteerd op zijn handelen.

Klager is [de moeder], hierna te noemen: de moeder. De gemachtigde van de moeder is de heer mr. R.H.P. Feiner, advocaat te Rotterdam.

Beklaagde is [de jeugdprofessional], hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als jeugdbeschermer bij de gecertificeerde instelling [de GI], hierna te noemen: de GI. De jeugdprofessional staat sinds [datum] 2019 als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd. De gemachtigde van de jeugdprofessional is de heer mr. J.C.C. Leemans, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand.

De digitale mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 29 november 2021 in aanwezigheid van de moeder, de jeugdprofessional en de gemachtigden.

Het College gaat uit van het aangepaste klaagschrift (ontvangen op 12 juli 2021), het verweerschrift (ontvangen op 28 september 2021) en wat is besproken tijdens de digitale mondelinge behandeling van de klacht.

1     De feiten

1.1 De moeder heeft een minderjarige zoon. De zoon is geboren in 2016.

1.2 De moeder en haar ex-partner, de vader van de zoon, zijn sinds 2016 uit elkaar. Het ouderlijk gezag over de zoon wordt gezamenlijk uitgeoefend door de ouders. De zoon heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder.

1.3 De kinderrechter heeft op 5 december 2018 de zoon onder toezicht gesteld en tevens een machtiging tot uithuisplaatsing van de zoon in een voorziening voor netwerkpleegzorg verleend bij de oma van moederszijde. Deze kinderbeschermingsmaatregelen zijn nadien verlengd.

1.4 Op 21 september 2020 heeft de rechtbank het verzoek van de vader en de GI afgewezen om de hoofdverblijfplaats van de zoon te veranderen. Zowel de vader als de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: RvdK) zijn in hoger beroep gegaan tegen deze beslissing.

1.5 Op 18 februari 2021 heeft de jeugdprofessional een brief aan de moeder gestuurd waarin staat uitgelegd dat de GI net als de RvdK van mening is dat de hoofdverblijfplaats van de zoon gewijzigd dient te worden en bij de vader moet worden bepaald.

1.6 Op 25 augustus 2021 heeft het gerechtshof bepaald dat de zoon voortaan zijn hoofdverblijfplaats bij de vader heeft.

1.7 De jeugdprofessional is in ieder geval, en voor zover van belang, sinds februari 2020 belast met de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen.

2     Het beoordelingskader

2.1 Het College beantwoordt de vraag of de bij SKJ geregistreerde jeugdprofessional met het (beroepsmatig) handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening en toetst dit handelen aan de algemene tuchtnorm. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional (hierna te noemen: de Beroepscode) de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van een jeugdprofessional beter had gekund.

3     Beoordeling van de klacht

De klacht bestaat uit drie klachtonderdelen. Deze worden hieronder weergegeven en vervolgens beoordeeld.

3.1 Klachtonderdeel 1

3.1.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat hij niet neutraal is geweest. De jeugdprofessional heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

3.1.2 Uit de toelichting op dit klachtonderdeel maakt het College op dat het verwijt zich richt tegen (de inhoud) van de brief van de jeugdprofessional van 18 februari 2021, zoals opgenomen onder 1.5 van deze beslissing. De moeder stelt zich op het standpunt dat als de GI vindt dat overgegaan kan worden tot terugplaatsing van de zoon, zij ook een eerlijke kans verdient en de GI een mogelijke terugplaatsing bij de moeder had moeten onderzoeken. Ook vindt de moeder dat, indien de GI van mening was dat de hoofdverblijfplaats van de zoon gewijzigd moet worden, zij in hoger beroep hadden kunnen gaan tegen de beslissing van de rechtbank van 21 september 2020. Dit heeft de GI niet gedaan. De jeugdprofessional heeft aangevoerd dat de GI niet in hoger beroep is gegaan, omdat zij hoopte dat de beslissing van de rechtbank een einde zou maken aan de juridische strijd tussen de ouders en duidelijkheid kon bieden over het perspectief van de zoon. Omdat de vader in hoger beroep is gegaan, is de GI gevraagd haar visie te geven, hetgeen een normale werkwijze is. Hieruit is de brief van 18 februari 2021 voortgekomen. Hierbij merkt de jeugdprofessional op dat hij het besluit om te adviseren de hoofdverblijfplaats van de zoon bij de vader te bepalen, niet zelfstandig heeft genomen. Deze beslissing is voortgekomen uit een multidisciplinair overleg met de gedragswetenschapper en de juridische afdeling. De stelling van de moeder dat de jeugdprofessional dit besluit heeft genomen, is daarom dan ook onjuist. Het College wenst hier allereerst het volgende over op te merken. De jeugdprofessional heeft als jeugdbeschermer de regie over de uitvoering van de ondertoezichtstelling. In dat kader heeft hij een zekere professionele autonomie en is hij tuchtrechtelijk aanspreekbaar, ook voor het uitvoeren van beslissingen genomen in multidisciplinair overleg en verrichtte handelingen op grond van het beleidskader van de GI. Dit vloeit ook voort uit de Beroepscode. Het is niet zo dat wanneer een besluit in multidisciplinair overleg is genomen, de jeugdprofessional daar geen (tuchtrechtelijke) verantwoording meer voor hoeft af te leggen.
Zoals gezegd, richt dit verwijt zich tegen de inhoud van de brief van 18 februari 2021. Desgevraagd heeft de jeugdprofessional aangegeven zich niet te kunnen herinneren of hij de brief vooraf met de moeder (of met de vader) heeft besproken. De moeder heeft hierop gereageerd dat zij tot aan de ontvangst van de brief niet bekend was met de visie van de GI. Waarop de jeugdprofessional heeft aangevoerd dat de moeder meerdere malen heeft aangegeven niet voor de zoon te kunnen zorgen gelet op haar persoonlijke situatie. Dit laatste heeft het College ook teruggelezen in verschillende contactmomenten uit 2019 met de moeder, zoals opgenomen in het overgelegde gezinsplan. De jeugdprofessional stelt daarom ervan uit te zijn gegaan dat de moeder niet wilde worden meegenomen in het onderzoek naar een mogelijke terugplaatsing van de zoon. Deze stelling volgt het College echter niet. In het gezinsplan van 25 september 2020 staat het volgende opgenomen onder het kopje ‘Opvoeding (inclusief omgevingsfactoren) volgens jeugdige/ouders/verzorgers’: Bron: Gesprek moeder, d.d. 14-02-2020. De door [de GI] voorgestelde terugplaatsing van feb. 2019 in een tijdsbestek van 6 weken, achtte moeder destijds niet verstandig omdat de problematiek tussen ouders onveranderd was en voor een aanhoudende onveilige situatie voor [de zoon] zorgden. Moeder geeft aan zich gepasseerd te voelen omdat terugplaatsing van overschreden termijn uithuisplaatsing in feb. 2019 niet meer mogelijk zou zijn en nu wordt onderzocht of de hoofdverblijfplaats van [de zoon] bij vader kan zijn en er niet wordt gekeken of de hoofdverblijfplaats bij haar kan zijn. In het raadsrapport d.d. 30 maart 2020 leest het College dat de moeder heeft aangegeven in een ideale situatie graag zelf de zorg voor de zoon te willen dragen. Het verbaast het College dan ook dat de jeugdprofessional tijdens de digitale mondelinge behandeling van de klacht heeft gesteld dat hij niet bekend was met de wens van de moeder om ook betrokken te worden in het onderzoek naar de hoofdverblijfplaats van de zoon. Wat hier ook van zij, het College is van oordeel dat de jeugdprofessional tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door de moeder niet te betrekken, noch vooraf te informeren, over het advies met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van de zoon. Door dit nalaten heeft de jeugdprofessional artikel G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode geschonden. Artikel E (Respect) van de Beroepscode is eveneens geschonden, omdat de jeugdprofessional heeft nagelaten te (laten) onderzoeken of de zoon teruggeplaatst kon worden bij de moeder, of haar visie over een terugplaatsing te vragen. Doordat de moeder voor een eventuele terugplaatsing sterk afhankelijk is van de jeugdprofessional, is ook artikel H (Macht en afhankelijkheid in de professionele relatie) van de Beroepscode geschonden. Daarnaast is het College van oordeel dat artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming) van de Beroepscode is geschonden, doordat de jeugdprofessional onvoldoende heeft laten blijken dat hij op de hoogte was van de wens van de moeder, terwijl dit wel uit zijn eigen gezinsplan voortvloeit. Het College wil de jeugdprofessional tot slot wijzen op de ‘Richtlijn Uithuisplaatsing voor jeugdhulp en jeugdbescherming’ (hierna te noemen: de Richtlijn Uithuisplaatsing). In de Richtlijn Uithuisplaatsing en de daarbij behorende werkkaarten staat duidelijk beschreven welke stappen de jeugdprofessional dient te nemen in het kader van een terugplaatsing. Hieruit vloeit onder andere ook voort dat beide ouders de kans moeten krijgen om binnen een redelijke termijn, met (intensieve) hulpverlening, naar een terugplaatsing toe te werken. Het is het College uit de stukken niet gebleken dat de moeder deze kans heeft gekregen, waardoor niet in lijn met de Richtlijn Uithuisplaatsing is gewerkt.

3.1.3 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel gegrond is.

3.2 Klachtonderdeel 2

3.2.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat hij geen zelfstandig onderzoek heeft gedaan naar de zorgen over de situatie van de ouders. De jeugdprofessional heeft in onvoldoende mate verantwoording en regie genomen. De jeugdprofessional heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

3.2.2 De moeder verwijst ter onderbouwing van dit klachtonderdeel naar de brief van 18 februari 2021. De jeugdprofessional heeft volgens de moeder de zorgen over de agressieve communicatie van vader en de noodzaak tot inzet van hulpverlening gebagatelliseerd. De moeder noemt hierbij vijf voorbeelden. De moeder heeft een soortgelijke klacht ingediend bij de klachtencommissie van de GI. De jeugdprofessional verwijst voor zijn verweer naar het verweerschrift zoals ingediend bij de klachtencommissie. Anders dan de klachtencommissie is het College van oordeel dat de jeugdprofessional en/of de GI wel tot op zekere hoogte aan waarheidsvinding behoort te doen. Dit volgt namelijk uit artikel 3.3 van de Jeugdwet. Ondanks dat van een jeugdprofessional niet kan worden verwacht dat hij in elk voorkomend geval onderzoek doet naar het waarheidsgehalte van beweringen die ouders over en weer doen (zie ook de beslissing van het College van Beroep in zaaknummer 19.013B, onder 4.3.5 van die beslissing), is het College van oordeel dat de jeugdprofessional in dit geval tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het College heeft namelijk geen aanknopingspunten in het dossier kunnen vinden waaruit blijkt dat de jeugdprofessional zelfstandig onderzoek heeft gedaan naar de zorgen over de situatie van de ouders, in relatie tot de door de moeder genoemde voorbeelden. Zo heeft het College in de overgelegde stukken van de jeugdprofessional niet terug kunnen lezen dat de vader is veroordeeld voor huiselijk geweld en fraude, of dat de jeugdprofessional een risicoprofiel voor de vader (of voor de moeder) heeft gemaakt. Ook wordt uit het dossier niet duidelijk in welke mate de zorgen van de moeder zijn meegewogen in het besluit voor terugplaatsing bij de vader. Hier is geen stuk van overgelegd, bijvoorbeeld een verslag van het multidisciplinair overleg waarin voorgaande is besloten. Het College volgt de moeder daarom dan ook in haar conclusie dat de jeugdprofessional in het kader van de door haar genoemde voorbeelden onvoldoende verantwoording en regie heeft genomen. De jeugdprofessional heeft daardoor in strijd gehandeld met artikel E (Respect) van de Beroepscode en onvoldoende uitvoering gegeven aan artikel 3.3 van de Jeugdwet.

3.2.3 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel gegrond is.

3.3 Klachtonderdeel 3

3.3.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat hij zich onvoldoende heeft ingezet om tot een goede samenwerking te komen. De jeugdprofessional heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

3.3.2 In de toelichting op de klacht heeft de moeder gesteld dat het handelen van de jeugdprofessional verschillende gevolgen heeft gehad. Zo is volgens de moeder geen hulpverlening ingezet in verband met het hoger beroep van de vader en heeft de jeugdprofessional geen nieuwe afweging gemaakt voor een eventuele terugplaatsing van de zoon bij de moeder. Tot slot is er volstrekte onduidelijkheid en verwarring bij de moeder ontstaan, doordat niet op neutrale wijze richting de moeder wordt gehandeld en gecommuniceerd. De moeder voelt geen ruimte voor samenwerking bij de jeugdprofessional en hij neemt ook geen initiatieven om de moeder te betrekken bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De jeugdprofessional voert aan dat hij altijd de samenwerking met de ouders heeft opgezocht en altijd op correcte wijze heeft gereageerd op vragen, e-mails en telefoontjes van de moeder of haar advocaat. Wanneer nodig heeft de GI het beleid bepaald en gedeeld met betrokkenen, waarbij het belang van de zoon altijd centraal is gesteld.

Vooropgesteld staat dat een samenwerkingsrelatie belangrijk is, maar het College is zich er terdege van bewust dat dit in het gedwongen kader moeilijker is om te realiseren, omdat de hulpverlening is opgelegd door de (kinder)rechter. Onder verwijzing naar 3.1.2 en 3.2.2 van deze beslissing, concludeert het College dat de jeugdprofessional onvoldoende de samenwerking met de moeder heeft opgezocht voor wat betreft de eventuele terugplaatsing van de zoon. Dit gedeelte van de klacht is daarom gegrond. Dat de jeugdprofessional niet op neutrale wijze heeft gehandeld en gecommuniceerd (behoudens de communicatie omtrent de terugplaatsing van de zoon), is naar het oordeel van het College onvoldoende komen vast te staan. Dat deel van de klacht is om die reden ongegrond.

3.3.3 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel gedeeltelijk gegrond is.

4     Maatregel: berisping zonder openbaarmaking van deze maatregel

4.1 Het College ziet aanleiding om de jeugdprofessional een tuchtrechtelijke maatregel op te leggen, omdat de jeugdprofessional op meerdere punten tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Zo heeft de jeugdprofessional de moeder niet meegenomen, noch betrokken, in een eventuele terugplaatsing van de zoon. Ook heeft de jeugdprofessional naar het oordeel van het College nagelaten om de aangedragen zorgen van de moeder voldoende te onderzoeken. De jeugdprofessional heeft daardoor meerdere artikelen uit de Beroepscode geschonden en onvoldoende in lijn gewerkt met artikel 3.3 van de Jeugdwet en de Richtlijn Uithuisplaatsing. Het College is daarmee van oordeel dat de jeugdprofessional onvoldoende de regie heeft genomen in de uitvoering van de ondertoezichtstelling waardoor hij niet heeft gehandeld zoals van een professioneel autonoom jeugdprofessional wordt verwacht. Doordat de jeugdprofessional in zijn verweerschrift en tijdens de digitale mondelinge behandeling van de klacht weinig reflectie heeft laten zien op het verwijtbare handelen, acht het College het passend om een maatregel van berisping zonder openbaarmaking van deze maatregel op te leggen. Het College kiest niet voor openbaarmaking van deze maatregel omdat het de eerste keer is dat een tuchtklacht tegen de jeugdprofessional is ingediend. Bij een openbaarmaking blijven de persoonsgegevens van de jeugdprofessional gedurende vijf jaar zichtbaar in het openbare gedeelte van het Kwaliteitsregister Jeugd. Dit gegeven en omdat het College ervan uitgaat dat de jeugdprofessional leert van deze beslissing en zijn handelen aanpast, vindt het College een openbaarmaking niet passend.

5     De beslissing

Het College komt tot de volgende beslissing:

  • klachtonderdelen 1 en 2 zijn gegrond;
  • klachtonderdeel 3 is gedeeltelijk ongegrond en voor het overige gegrond;
  • aan de jeugdprofessional wordt opgelegd de maatregel van berisping zonder openbaarmaking van deze maatregel.

Deze beslissing is op 10 januari 2022 genomen door het College van Toezicht in de samenstelling van mevrouw mr. E.M. Jacquemijns (voorzitter), de heer W.M.P. van Engelen en de heer E.A.J. Ouwerkerk (beiden lid-beroepsgenoot), bijgestaan door mevrouw mr. M.R. Veerman (secretaris).

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter

mevrouw mr. M.R. Veerman, secretaris