Een jeugdprofessional heeft een inspanningsverplichting om het hulpverleningstraject frequent te evalueren met de cliënt(en). Bij het opleggen van de maatregel houdt het College geen rekening met de eerder gegrond verklaarde klacht, omdat na de eerdere tuchtprocedure de samenwerking tussen partijen gedurende een lange periode (sterk) verbeterd is geweest.

Klager is [de klager], hierna te noemen: de moeder.

Beklaagde is [de jeugdprofessional], hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als zorgboerin bij [naam zorgboerderij], hierna te noemen: de zorgboerderij. De jeugdprofessional is van [datum] 2017 tot [datum] 2018 als jeugdzorgwerker geregistreerd geweest in het Kwaliteitsregister Jeugd. Vanaf [datum] 2018 staat zij als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd. De gemachtigde van de jeugdprofessional is mevrouw mr. A.C.I.J. Hiddinga, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te [plaats].

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 8 november 2021 in aanwezigheid van de moeder, de jeugdprofessional en haar gemachtigde.

Het College gaat uit van het aangepaste klaagschrift (ontvangen op 13 juli 2021), het verweerschrift (ontvangen op 29 september 2021) en wat is besproken tijdens de mondelinge behandeling van de klacht.

1     De feiten

1.1 De moeder heeft een minderjarige zoon, geboren in 2008. Aanvankelijk heeft de moeder het eenhoofdig gezag uitgeoefend over de zoon. Op 15 april 2016 heeft de kinderrechter de zoon onder toezicht gesteld en een machtiging tot uithuisplaatsing verleend in een voorziening voor pleegzorg. De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zijn nadien verlengd. Op 8 april 2021 heeft de kinderrechter het gezag van de moeder beëindigd en is de betrokken gecertificeerde instelling benoemd als voogd over de zoon. Tegen deze beslissing heeft de moeder hoger beroep ingesteld, deze procedure is nog lopende.

1.2 De zoon heeft van 13 november 2017 tot medio oktober 2021 vier dagen per week dagbesteding op de zorgboerderij gehad en de jeugdprofessional is in die periode bij hem betrokken geweest.

1.3 De moeder heeft tegen de jeugdprofessional eerder een tuchtklacht bij SKJ ingediend. Bij beslissing van 14 januari 2019 (zaaknummer [zaaknummer]) heeft het College van Toezicht de klacht gedeeltelijk gegrond verklaard en is aan de jeugdprofessional de maatregel van berisping opgelegd.

2     Het beoordelingskader

2.1 Het College beantwoordt de vraag of de bij SKJ geregistreerde jeugdprofessional met het (beroepsmatig) handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening en toetst dit handelen aan de algemene tuchtnorm. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional (hierna te noemen: de Beroepscode), de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van een jeugdprofessional beter had gekund.

3     Beoordeling van de klacht

De klacht bestaat uit zes klachtonderdelen. Deze worden hieronder weergegeven en vervolgens beoordeeld. De klachtonderdelen 2, 3 en 6 hebben een nauwe samenhang. Daarom worden deze klachtonderdelen onder 3.2 van deze beslissing gezamenlijk besproken en beoordeeld.

3.1 Klachtonderdeel 1

3.1.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat zij geen nieuw zorgplan opstelt. De jeugdprofessional heeft dit erkend, en haar afwegingen daartoe uiteengezet.

3.1.2 Het College stelt het volgende vast. Het laatste zorgplan ten aanzien van de dagbesteding van de zoon op de zorgboerderij is van november 2019. De evaluatie van dit zorgplan stond gepland in januari 2021. Deze evaluatie is echter niet van de grond gekomen vanwege een visieverschil tussen partijen over de vraag of de jeugdprofessional het zorgplan en het evaluatieverslag mocht verstrekken aan de betrokken jeugdbeschermer (belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling). De moeder gaf daarvoor geen toestemming. Vanwege dit visieverschil heeft de jeugdprofessional in februari 2021 daarover advies gevraagd bij haar beroepsvereniging. De beroepsvereniging informeerde de jeugdprofessional dat een jeugdbeschermer, die de ondertoezichtstelling uitvoert, een wettelijk informatierecht heeft waardoor gehandeld mag worden zonder toestemming van de moeder. Ondanks dit advies is over het verstrekken van de stukken aan de jeugdbeschermer geen overeenstemming tussen partijen bereikt. Dat heeft gemaakt dat het zorgplan niet geëvalueerd is. De vraag die nu voorligt is of de jeugdprofessional daarin tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en daartoe wordt als volgt overwogen.
Volgens de richtlijn ‘Richtlijn Samen met ouders en jeugdige beslissen over passende hulp voor jeugdhulp en jeugdbescherming’ is voortdurende monitoring van het hulpverleningstraject noodzakelijk voor het laten slagen daarvan, om aan te kunnen sluiten bij de hulpvraag en het behalen van positieve resultaten. Evaluatie kan ook leiden tot het tijdig bijstellen van doelen en het verstevigen van de samenwerkingsrelatie (verwezen wordt naar ‘4.5 Evaluatie en monitoring van het hulpverleningsproces’ van genoemde richtlijn). Dat maakt dat een jeugdprofessional volgens het College een inspanningsverplichting heeft om een hulpverleningstraject frequent te evalueren. Zo ook de jeugdprofessional ten aanzien van de dagbesteding van de zoon op de zorgboerderij. Dat deze evaluatie in eerste instantie tijdelijk stil is komen te liggen, kan het College volgen vanwege het ontstane visieverschil. De jeugdprofessional heeft na deze patstelling aanvankelijk zorgvuldig gehandeld door advies in te winnen bij haar beroepsvereniging. Het College ziet echter niet dat de jeugdprofessional zich na het advies heeft ingespannen om de evaluatie van de grond te laten komen. Er is geen nieuw voorstel gedaan om de evaluatie te laten plaatsvinden. De jeugdprofessional heeft – met verwijzing naar het advies van de beroepsvereniging – geen stelling en positie ingenomen over het verstrekken van de stukken aan de jeugdbeschermer. Evenmin is gebleken dat de jeugdprofessional op enig moment de jeugdbeschermer heeft betrokken. Zo had bijvoorbeeld de jeugdbeschermer gevraagd kunnen worden om aan de moeder toe te lichten waarom de stukken noodzakelijk werden geacht voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling en aldus sprake was van het wettelijke informatierecht (artikel 7.3.11 lid 4 van de Jeugdwet). Het College mist hierin het overleg met de moeder (en jeugdbeschermer) met als doel de evaluatie van de grond te laten komen en een nieuw zorgplan vast te stellen. Het College is van oordeel dat dit nalaten in strijd is met artikel G (overeenstemming/instemming omtrent de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode, nu (het overleg over) de evaluatie niet van de grond is gekomen en de jeugdprofessional zich daarvoor onvoldoende heeft ingespannen.
Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat het College niet is gebleken dat  – anders dan de moeder stelt – het uitblijven van een nieuw zorgplan schadelijk is geweest voor de zoon. De moeder heeft dat standpunt niet onderbouwd en de jeugdprofessional heeft aangevoerd dat zij op basis van het bestaande zorgplan de zorg aan de zoon in zijn belang heeft kunnen continueren.

3.1.3 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel gegrond is.

3.2 Klachtonderdelen 2, 3 en 6

3.2.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat post en cadeaus voor de zoon onrechtmatig worden achtergehouden (klachtonderdeel 2). Daarmee maakt de jeugdprofessional zich schuldig aan contactverlies waardoor de ontwikkeling van de zoon wordt bedreigd (klachtonderdeel 3). Ook wordt daardoor het loyaliteitsconflict van de zoon gefaciliteerd (klachtonderdeel 6). De jeugdprofessional heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

3.2.2 Het College overweegt als volgt. Op 22 januari 2021 laat de jeugdprofessional de moeder per e‑mail weten dat de jeugdbeschermer nadrukkelijk aan haar heeft laten weten dat het contact tussen de moeder en haar zoon niet meer via de zorgboerderij mag verlopen. Voor die tijd is het een enkele keer voorgekomen dat de moeder via de zorgboerderij post aan haar zoon verstuurde. Na deze mededeling heeft de moeder (en haar broer) nog post aan de zoon gestuurd via de zorgboerderij. De moeder stelt zich op het standpunt dat deze poststukken onrechtmatig zijn achtergehouden, wat volgens haar in strijd is met artikel 201 Wetboek van Strafrecht. De jeugdprofessional heeft in februari 2021 – net als ten aanzien van het visieverschil zoals beschreven in het vorige klachtonderdeel – hierover advies gevraagd bij haar beroepsvereniging. Teruggekoppeld werd dat een jeugdbeschermer beslist over de post en dat hij/zij dat besluit dient te verantwoorden.
Het College gaat ervan uit dat een contactregeling tussen de moeder en de zoon per beschikking is vastgelegd. Deze regeling dient de moeder uit te voeren, maar ook de betrokken jeugdbeschermer. In dat kader kan de jeugdbeschermer stelling innemen over op welke wijze het contact tussen de moeder en de zoon vormgegeven dient te worden, met inachtneming van de regeling zoals per beschikking vastgelegd. De jeugdprofessional dient de aanwijzingen daarover van de jeugdbeschermer, zijnde regievoerder en belast met het toezicht over de zoon, in acht te nemen. Bovendien bestaat er voor zowel de zorgboerderij als de jeugdprofessional geen verplichting om als postadres voor de zoon te fungeren nu hij daar alleen dagbesteding heeft gevolgd. Ten slotte is gebleken dat de jeugdprofessional de post niet heeft achtergehouden, maar aan de jeugdbeschermer overgedragen heeft, zodat zij het aan de zoon kon overhandigen. Het College concludeert dat de jeugdprofessional geen tuchtrechtelijk verwijt te maken valt rondom de poststukken welke aan de zorgboerderij gestuurd zijn. Dat maakt dat de jeugdprofessional ook geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van de samenhangende klachtonderdelen over het bijdragen aan contactverlies en het faciliteren van een loyaliteitsconflict.
Voor de volledigheid wijst het College nog op het volgende. Artikel 201 Wetboek van Strafrecht ziet niet toe op het (onrechtmatig) achterhouden van poststukken, maar beschermt de vertrouwelijkheid en betrouwbaarheid van het postverkeer. Dat wil zeggen: het belang dat brieven (ongeopend) door de postbode op hun bestemming, het afleveradres, worden bezorgd (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 13 april 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:3428). Het College is overigens niet de bevoegde instantie om te oordelen of een jeugdprofessional zich al dan niet schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit.

3.2.3 Het College is van oordeel dat de klachtonderdelen ongegrond zijn.

3.3 Klachtonderdeel 4

3.3.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat zij niet meegewerkt heeft aan een oplossingsgesprek. De jeugdprofessional heeft dit erkend, en haar afweging daartoe uiteengezet.

3.3.2 Het College stelt vast dat de moeder op 1 april 2021 een e-mail aan de jeugdprofessional gestuurd heeft waarin zij stelt dat er een patstelling is, veroorzaakt door de gecertificeerde instelling. Volgens de moeder zou de jeugdprofessional van de jeugdbeschermer de opdracht krijgen tot het overtreden van de wet. De moeder vraagt aan de jeugdprofessional of zij bereid is met haar en de jeugdbeschermer in gesprek te gaan zodat de jeugdprofessional de gelegenheid heeft haar zorgen te uiten, en daarmee eventuele zorgen of angsten weg te nemen in het belang van de zoon. De jeugdprofessional reageert als volgt: “Zoals ik je al eerder schreef ben ik ervan overtuigd dat het wettelijk gezien geen verplichting is om als postadres te fungeren voor iemand die niet op het gebruikte adres woont. Dit betekent dus ook dat er in deze situatie geen sprake is van wetsovertreding. Overigens heeft deze opstelling mijns inziens geen nadelige gevolgen voor [de zoon]. De zorg aan hem gaat onverminderd en op de gebruikelijke manier door. In die zin is er geen sprake van tweestrijd of spagaat en is een gesprek wat mij betreft niet nodig. Met jou wil ik het contact ook graag op dezelfde wijze continueren.”
Het College overweegt dat een jeugdprofessional ernaar dient te streven om in te gaan op een verzoek tot een (oplossings)gesprek, mede in het belang van (het verbeteren van) de samenwerking. Dat neemt echter niet weg dat een jeugdprofessional bevoegd is een eigen afweging te maken daar wel of niet op in te gaan. In casu blijkt dat de standpunten over en weer een herhaling zijn van het visieverschil van eerder dat jaar en waar de jeugdprofessional reeds advies over gevraagd had van haar beroepsvereniging, en teruggekoppeld aan de moeder. De jeugdprofessional heeft haar afweging om niet in te gaan op het verzoek richting moeder voldoende toegelicht en het College kan haar hierin volgen. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is geen sprake geweest.

3.3.3 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

3.4 Klachtonderdeel 5

3.4.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat zij niet ingrijpt bij een vermoeden van kindermishandeling. De jeugdprofessional heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

3.4.2 Het College overweegt dat de moeder onvoldoende feitelijk onderbouwd heeft dat sprake zou zijn van (een vermoeden van) kindermishandeling. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de zoon op 29 september 2020 is flauwgevallen en dat hij daarvoor naar de huisarts is geweest. Dit is naar het oordeel van het College onvoldoende om te spreken van (een vermoeden van) kindermishandeling. De andere twee bijgevoegde stukken zijn door de moeder zelf geschreven, waardoor ze naar het oordeel van het College onvoldoende objectief zijn. Daarnaast heeft de jeugdprofessional betwist dat zij niet zou ingrijpen bij (een vermoeden van) kindermishandeling. Desgevraagd heeft zij toegelicht dat het onder haar taken valt om alert te zijn op dergelijke signalen en daarop te handelen volgens de Meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling. Bij de zoon heeft zij deze signalen niet waargenomen. Gelet op het vorenstaande ziet het College geen aanknopingspunten om de jeugdprofessional een tuchtrechtelijk verwijt te maken.

3.4.3 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

4     Geen maatregel

4.1 De jeugdprofessional heeft ten aanzien van klachtonderdeel 1 tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Het College ziet af van het opleggen van een maatregel en overweegt daartoe als volgt. Hoewel grote waarde wordt gehecht aan frequente evaluaties van het hulpverleningstraject, acht het College het aannemelijk dat de jeugdprofessional gedurende haar betrokkenheid de ontwikkeling van de zoon voorop heeft willen stellen. Daarbij heeft zij de zorg naar eigen zeggen kunnen continueren op basis van het zorgplan uit 2019. Tot slot wordt ervan uitgegaan dat dit oordeel eraan bijdraagt dat de jeugdprofessional in toekomstige gevallen haar werkwijze rondom het evalueren van het hulpverleningstraject aanpast zodat deze in lijn is met de professionele standaard.

4.2 Het College kan bij het opleggen van een maatregel rekening houden met een eerder gegrond verklaarde klacht (artikel 5.6 van het Tuchtreglement, versie 1.4), waarvan in casu sprake is zoals onder 1.3 van deze beslissing opgenomen. Beide partijen hebben echter tijdens de mondelinge behandeling van de klacht verklaard dat de samenwerking na de eerdere procedure gedurende een langere periode (sterk) is verbeterd. Het College heeft grote waardering voor de inzet van zowel de moeder als de jeugdprofessional om te komen tot een verbetering van de samenwerking na de eerder gegrond verklaarde klacht. Dit maakt dat het College de eerder gegrond verklaarde klacht niet laat meewegen in de beoordeling of in deze procedure een maatregel moet worden opgelegd.

5     De beslissing

Het College komt tot de volgende beslissing:
– klachtonderdeel 1 is gegrond;
– voor het overige zijn de klachtonderdelen ongegrond;
– ziet af van het opleggen van een maatregel.

Deze beslissing is op 20 december 2021 genomen door het College van Toezicht in de samenstelling van mevrouw mr. E.M. Jacquemijns (voorzitter), mevrouw T. van der Leest-Folkerts en mevrouw J.A. Pires (beide lid-beroepsgenoot), bijgestaan door de secretarissen mevrouw mr. L.C. Groen en mevrouw mr. I.L.I. Bossert.

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter
mevrouw mr. L.C. Groen, secretaris